Om Mededogen

 

Moge mijn mededogen zacht en vriendelijk zijn
als de zon in het voorjaar.


Moge het schaduw geven en beschutting
als een plataan in de zomer.


Moge het sterk en standvastig zijn in de herfst
als de wind der vergankelijkheid waait.


Moge het in de barre winter
branden als een barmhartig vuur.


Dat mijn hart te allen tijde
weet heeft van het grote lijden.


Hein Stufkens

 


De eenheid belichamen – Frank De Waele Roshi

Diep in de nacht drijft
een kleine boot in het maanlicht:
niet op en neer gestuwd door de golven,
niet heen en weer geslingerd door de wind.

De Japanse zenmeester Dogen Kigen (1200-1253), die dit korte gedicht schreef, gaf het de titel ‘De schatkamer van het oog van de ware leer’ (J. shobogenzo), een term die hem zeer dierbaar was en zijn overtuiging uitdrukt dat ieder van ons toegerust is met het waardevolle vermogen om de waarachtige, niet-duale realiteit te zien. Op het eerste zicht lijken de titel en de beelden die de dichter oproept niet bij elkaar te passen.

Het gedicht zelf gaat over een bootje, dat klein is en drijft. De duisternis van de nacht is in de zenpoëzie een gekend beeld om het mysterieuze en onvoorstelbare van de niet-dualiteit weer te geven. En er is ook het maanlicht van het zien, van de verlichting. Alles lijkt sereen, de zee is rustig. Op het eerste gezicht zijn er geen golven en het is windstil.

Maar het gedicht laat zich ook anders lezen. Het bootje staat voor mijn leven, klein en fragiel op de woelige zee van de dagdagelijkse werkelijkheid. In het lichtende besef van niet-twee blijf ik gedragen. Middenin de deining van de golven, ben ik dat wat onbewogen is. In het beuken van de wind, ben ik één met dat wat al altijd stil is. Het gedicht gaat over vertrouwen in mijn vermogen om te zien van wat er werkelijk is.

Dit artikel is gepubliceerd in het Tijdschrift voor Geestelijk Leven nr.6(2014)

 

 



Het scherp van de snede

We hebben het leven waarin we werkelijk verankerd zijn, maar aangezien we daarin niet meer zijn dan denken, zien, horen, ruiken, voelen,….voegen we er onze egocentrische gedachten ‘van hoe het mij niet zint’ aan toe. Op dat moment kunnen we ons niet langer van onze eenheid met het leven bewust zijn. We hebben er iets aan toegevoegd (onze persoonlijke reactie), en wanneer we dat doen, begint de angst en de gespannenheid. En dat toevoegen doen we ongeveer elke vijf minuten. Geen leuk plaatje….

Wat bedoel ik nu met het scherp van de snede? Om deze twee schijnbaar gescheiden delen van het leven weer samen te voegen, moeten we het scherp van de snede bewandelen, dat brengt ze bijeen. Maar wat is het scherp van de snede?
De beoefening gaat over het begrijpen van het scherp van de snede en hoe je er mee kunt werken. We hebben altijd de illusie – die we overigens zelf geschapen hebben – dat we afgescheiden zijn. Wanneer we worden bedreigd of wanneer het leven ons niet bevalt gaan we ons zorgen maken, gaan we over een mogelijke oplossing denken. En dat doet iedereen, zonder enige uitzondering. We houden er niet van om in het leven te staan zoals het is, omdat daar lijden bij kan horen, en dat kunnen we niet aan. Of het nu een ernstige ziekte is of een milde kritiek, eenzaamheid of teleurstelling – we kunnen het niet aan. We zijn niet van plan daar genoegen mee te nemen of, als we het ook maar enigszins kunnen vermijden, dat gewoon te zijn. We willen de problemen regelen, het oplossen, er van af zien te komen. Voor die gelegenheden is het nodig dat we de beoefening van het scherp van de snede bewandelen, begrijpen. Het punt waarop we dat moeten begrijpen, is iedere keer wanneer we emotioneel verstoord raken (kwaad worden, wrok koesteren, geïrriteerd raken of jaloers worden).

Allereerst moeten we weten dat we verstoord zijn. Veel mensen weten niet eens wanneer dat het geval is. De eerste stap is dus bewust te zijn dat er een verstoring plaats vindt. Wanneer we zazen doen en onze geest en reacties leren kennen, worden we er ons van bewust dat we inderdaad verstoord zijn.

Dat is de eerste stap, maar het is nog niet het scherp van de snede. We zijn nog steeds afgescheiden van de rest, maar nu weten we het tenminste. Hoe brengen we ons gespleten leven weer bijeen? Het scherp van de snede bewandelen zorgt daarvoor; we moeten alleen het zijn dat we in wezen zijn, en dat is zien, voelen, horen, ruiken; we moeten ervaren wat ons leven is, iedere seconde weer. Als we kwaad zijn, moeten we ervaren dat we kwaad zijn. Als we bang zijn, moeten we ervaren dat we bang zijn. Als we jaloers zijn, moeten we ervaren dat we jaloers zijn. En dat ervaren is een lichamelijke toestand; het heeft niets te maken met gedachten over de emotionele verstoring die in je hoofd omgaan.
Wanneer we non-verbaal ervaren, bewandelen we het scherp van de snede – dan zijn we in het huidige moment. Wanneer we het scherp van de snede begaan wordt de pijnlijke staat van gescheidenheid samengebracht en ervaren we misschien niet zozeer geluk, maar wel vreugde. Het scherp van de snede begrijpen (en niet alleen begrijpen maar ook bewandelen) is zen beoefening. De reden waarom dat zo moeilijk is, is omdat we het niet willen. We weten dat we dat niet willen doen, we willen eraan ontsnappen.

Als ik het gevoel heb dat ik door jou gekwetst ben, wil ik met mijn gedachten bij het gekwetst zijn blijven. Ik wil mijn afscheiding vergroten; het voelt goed aan om door die brandende gedachten vol zelfbeklag te worden verteerd. Door het denken probeer ik de pijn te vermijden. Hoe verfijnder mijn beoefening wordt, hoe sneller ik die valkuil in de gaten heb en naar het ervaren van de pijn, het scherp van de snede, kan terugkeren. En waar ik vroeger misschien twee jaar verstoord zou zijn, verschrompelt die verstoring in tot twee maanden, twee weken, twee minuten. Uiteindelijk kan ik een verstoring ervaren terwijl hij gebeurt en precies op het scherp van de snede blijven.

Een verlicht leven is eigenlijk niet meer dan in staat te zijn altijd het scherp van de snede te bewandelen. Hoewel ik niemand ken die daar altijd toe in staat is, kunnen we het na jaren van beoefening een groot deel van de tijd doen. Het scherp van de snede bewandelen is vreugde.

Uit: Beck, Charlotte Joko (2001). Alle dagen zen. Amsterdam: uitgeverij Karnak. p.163-165.

SAMEN BLIJVEN LOPEN.

_______________________________

Na voltooiing van haar studie aan de Sorbonne leerde de Française Catherine Pagès (1942) in Nepal het Tibetaans boeddhisme kennen. Sindsdien draait haar leven om zen en daarmee om paradoxen. Deze staan centraal in de wijsheid van waaruit zij leeft. Voor haar vormen zij een juweel met verschillende facetten… Dat juweel is haar geloof, de hoeksteen van haar bestaan, zoals zij elke dag ondervindt in het zencentrum dat zij in 1994 heeft opgericht. In 1982 ontmoette zij in Parijs de Amerikaanse zenmeester Dennis Genno Merzel Roshi die haar leraar werd. Vandaar de naam waarmee ze vandaag bekend is bij velen: Catherine Genno Pagès Roshi. In de tien jaar die volgden op de ontmoeting heeft Catherine samen met haar leraar in Europa en Amerika zen beoefend. Twijfel en paradoxen zijn voor haar onontbeerlijk om deze wijsheid te kunnen uiten, net zoals deze wijsheid moet worden uitgedrukt in het aanmoedigen en inspireren van anderen.

Ervaring en twijfel.

De eerste keer dat ik in het boeddhisme onderwezen werd was in de jaren zeventig, in Nepal, al weet ik niet meer waarover de Tibetaanse lama sprak. Wel herinner ik mij het gevoel dat ik kreeg: ‘Dit is het, dit is de waarheid.’ Ik herkende iets wat ik altijd geweten had en waarnaar ik altijd had verlangd, hoewel ik niet in staat was daar woorden aan te geven of het voor mijzelf duidelijk te krijgen. Maar het was wel wat ik zelf ervoer, zoals je zeker weet of water warm of koud is als je het drinkt. Mijn kennis was onweerlegbaar en niet te loochenen. De schrijnende ontevredenheid en pijn waarin ik gevangen zat, mijn onrust, mijn angst voor niet-bestaan, mijn angst voor de dood, mijn verlangen om iets te ervaren wat groter was dan ik – dat werd allemaal aangesproken, maar dan zonder conceptuele of dogmatische oplossingen, zodat er ruimte overbleef voor directe ervaringen. Ik was thuisgekomen.
Het is deze vorm van directe ervaring buiten intellectuele kennis en geschriften om, die door de Boeddha wordt aangemoedigd wanneer hij ons aanbeveelt om geen enkele waarheid aan te nemen die niet door onze eigen ervaring wordt bevestigd. Als wij in een restaurant de menukaart lezen, hebben we daarmee nog niet het eten geproefd.
Die aanbeveling vindt vooral veel weerklank wanneer er al twee elementen voorhanden zijn: het verlangen om in jezelf een waarheid te ervaren die aan gene zijde ligt van wat je weet en hebt gehoord, alsook een diepe intuïtie dat je net als ieder ander mens over het vermogen beschikt om die waarheid in te zien. Geloof is de zekerheid dat wij met dat vermogen geboren zijn en dat het in onze aard ligt om die waarheid te beseffen en in ons leven gestalte te geven. Vóór ons hebben de Boeddha – een mens – en vele, vele andere mensen dat gedaan.
Het spreekt dan ook vanzelf dat de kern van dat geloof niet kan worden omschreven of benoemd. Als dat wel mogelijk was, zou datgene wat begrepen of benoemd wordt slechts een projectie, een representatie, een concept of een verzinsel van ons zijn.
Geloofssystemen of geloof in een waarheid die buiten je ligt – in tradities, in het gezag van de geschriften of onderwijzingen van een meester – zijn niet de bestanddelen van dat geloof. Integendeel, de bereidheid en de moed om dat allemaal en bloc te betwijfelen, inclusief jezelf, behoren tot het wezen van geloven. Geloof zal groeien naarmate wij bereid zijn om alles wat wij weten te betwijfelen. Wanneer onze overtuigingen, vaste bakens, verworven kennis, voorstellingen, patronen, vooringenomenheden en alles wat wij voor waar hebben aangenomen verdwijnen of wegvallen, wordt ons geloof dieper.

Geloof zal groeien naarmate wij bereid zijn om alles wat wij weten te betwijfelen.

Zen

Aangezien geloof niet draait om het fabriceren van een object waaraan wij ons kunnen vasthouden, gaat het hand in hand met twijfel. Twijfel houdt geloof levend. Twijfel versterkt geloof en geloven geeft ons de moed om te betwijfelen: de moed om het onbekende te betreden, om de zekerheid af te wijzen van wat wij reeds weten, zodat wij ons kunnen verwerkelijken voorbij de grenzen van wat wij denken te zijn, voorbij onze onwetendheid. Een Chinees gezegde luidt: ‘Grote twijfel staat gelijk aan grote verlichting; geringe twijfel staat gelijk aan geen verlichting.’
De zentraditie benoemt drie factoren die van groot belang zijn op ons pad: veel geloof, veel twijfel en veel vastberadenheid. Deze drie factoren vormen het fundament van onze praktijk, en ‘zazen’ is de manier waarop wij ze met lichaam en geest, ons gehele wezen, intiem kunnen ervaren.
Zazen is zittend mediteren, in aanwezigheid van wat zich aandient, zonder iets af te wijzen en zonder aan iets vast te houden. Het is een staat van zuivere aanwezigheid zonder voorkeuren, zonder inname of overgave aan wat ik prettig en aangenaam vind en zonder afwijzing of onderdrukking van wat ik niet prettig of aangenaam vind. Ik sta toe dat alles plaatsvindt, maar ik ben nergens mee verbonden.
Het vereist in de eerste plaats de cultivering van concentratie en opmerkzaamheid zodat je je bewust kunt worden van je diepgewortelde mechanismen en gewoonten. Om een zelfgevoel op te bouwen, beoordelen wij bijna automatisch alles en iedereen. Op die manier voelen wij ons verschillend van ‘de ander’, in de hoop dat wij zelf een duidelijkere identiteit zullen krijgen. Zo kunnen wij beter omgaan met de angst die wij ervaren wanneer wij ‘de ander’ (het onbekende, het mysterieuze) ontmoeten.
Deze constructie van het zelf is uiteraard tevens een hoog ommuurde gevangenis, met een gebrek aan ruimte en licht, een gebrek aan ware communicatie en met een ervaring van liefde die beperkt en beangstigend is. Geloof is de diepe intuïtie dat mijn ware dimensie niet de ruimte van die gevangenis is. Geloof zal mij weer op mijn meditatiekussen zetten wanneer ik weerstand, wanhoop, ontmoediging, angst of twijfel ondervind. Met name tijdens de momenten waarop ik niet langer begrijp wat ik aan het doen ben, waarom ik dat aan het doen ben en waar het allemaal voor bedoeld is, word ik zelfs ondanks mijzelf door mijn geloof gedragen. Ik verlaat de gevangenis voor een open ruimte waar ik werkelijk mijzelf en de ander kan ontmoeten.
In de zentraditie hebben wij nog een ander instrument, de koan, die op volmaakte wijze illustreert hoe twijfel en geloof gezamenlijk opereren. Een koan is een ogenschijnlijk zeer irrationele dialoog of een vertelling over meester en leerling, aan het einde waarvan de student vaak tot diep inzicht geraakt. Wat is nu de sleutel tot dat inzicht? Dat is wat wij moeten oplossen. Met ons intellect, onze logica, onze rede kunnen we ze niet bevatten. Hoezeer we die hulpmiddelen ook aanspreken, het leidt tot niets. Maar hebben we die eenmaal uitgeput, dan wordt er iets anders ingeroepen. Onze geest krijgt toegang tot een diepere intuïtie die hetzelfde karakter heeft als geloof: onverklaarbaar, maar onweerlegbaar, aan gene zijde van logisch denken en redeneren. Het is een ervaring die niet afhankelijk is van ons intellect of van onze geestelijke bewijsvoeringen. Wij proeven op dat moment het eten zelf, niet de imaginaire smaak ervan aan de hand van het menu.
Om een voorbeeld te geven: hoe lossen wij het dilemma op waarmee Tokusan, een oude meester uit het antieke China, zijn leerlingen voor het blok zette? ‘Als je iets zegt, geef ik je dertig klappen; als je niets zegt, geef ik je dertig klappen.’ Hoe geraken we uit deze impasse? Hoe vaak worden wij in ons leven niet geconfronteerd met zo’n situatie waarin het onmogelijk is om iets te zeggen en onmogelijk om niets te zeggen, onmogelijk om verder te gaan en onmogelijk om terug te keren, onmogelijk om te bewegen en onmogelijk om niet te bewegen?
De leerling die weigert om snel aan die situatie te ontsnappen door te berusten, zal worden ondergedompeld in een vat van emoties, variërend van frustratie tot woede en van twijfel tot wanhoop, tot het moment waarop zich een ruimte ontsluit waarin tegenstellingen elkaar niet langer lijken uit te sluiten. Zij kunnen zodanig omarmd worden dat de situatie het hoofd wordt geboden. ‘Er is een gebied voorbij de juiste en de onjuiste manier van denken. Daar zal ik je ontmoeten,’ schreef Roemi.
Wij beschikken over veel koans om onze geest te oefenen om dat ‘gebied’ te ervaren, waar goed en fout, eindig en oneindig, persoonlijk en universeel, vorm en leegte, absoluut en relatief, licht en duisternis, eenheid en eigenheid, bestaan en niet-bestaan, leven en dood niet langer onherleidbare tegenstellingen van elkaar zijn.
Wij ervaren dat de geest het natuurlijke vermogen bezit om zichzelf los te maken van het dualistische perspectief waarmee deze de wereld meestal waarneemt. En wij beseffen min of meer bewust dat tijdens dit proces het geloof ons telkens weer heeft (be)geleid zodra wij een bepaalde vorm van twijfel ervoeren: twijfel tijdens het proces, twijfel over de weg, twijfel in onszelf en twijfel in alles.
De eerste astronaut die op de maan wandelde en onze planeet vanuit de ruimte zag, zei dat hij nooit zou kunnen vergeten wat hij had gezien en dat hij daarom de aarde nooit meer zo zou kunnen zien als hij voordien gedaan had. Zijn waarneming was voorgoed veranderd. Wanneer de ervaring van dat gebied heeft plaatsgevonden, is het onmogelijk om dat te vergeten.

De verlossende sprong van het geloof.

Zelfs tijdens de momenten waarop het lijkt alsof het geloof mij verlaten heeft, vormt de verpletterende afwezigheid ervan juist de paradoxale manifestatie van dat geloof.
Het overlevingsinstinct dat mij doet opstaan, telkens nadat ik gevallen ben, is geloof. ‘Mijn leven bestaat uit de ene mislukking na de andere,’ heeft zenmeester Kodo Sawaki ooit eens gezegd. Het geloof is in mij aanwezig in de mate waarin het overlevingsinstinct dat ook is. Ik kan het niet fabriceren – dat zou niet meer dan een aantal opvattingen zijn – maar ik kan het niet ontkennen wanneer het zichzelf laat gelden.
Wat mij ertoe aanzet om vragen te stellen, mij verder te ontwikkelen, te groeien en te ontplooien, en om open te staan voor de ander en hem te willen bijstaan, is geloof. De impuls om gelukkig te zijn, om jezelf te verwerkelijken, om lief te hebben en compassie te voelen, is de manifestatie van geloof. Zonder geloof zou ik niet de moed hebben om de ontelbare moeilijkheden en angsten te overwinnen die onvermijdelijk zijn in het proces om je als mens te ontwikkelen en te ontplooien. Geloof brengt dat wonder tot stand: te midden van onze ergste pijn, ons leiden en onze beproevingen zijn wij in staat om het juweel van onze wijsheid te ontdekken, ervan te leren en het in ons leven te integreren. Zonder geloof zou het bijzonder moeilijk zijn om dag in dag uit weer op te staan!
Met een geloofssprong kunnen wij onze angsten overwinnen en een dimensie ontsluiten die veel groter en ruimer is dan de schelp die wij om ons heen hebben gebouwd. Dit is in wezen de bevrijding waarnaar wij op zoek zijn. ‘Mogen wij met alle voelende wezens bevrijd worden van zelfzuchtigheid,’ is iets wat wij geregeld tijdens zenoefeningen hardop herhalen. Deze sprong vindt in onszelf plaats, door onze schaduwen en duistere zijden onder ogen te zien. Hij vindt ook buiten onze plaats, door de bedreigende ‘ander’ op te zoeken om hem werkelijk te ontmoeten. Ik heb geregeld gedroomd dat ik achtervolgd werd en zozeer in paniek was dat ik alleen maar kon wegrennen zonder om te kijken wie of wat mij eigenlijk achtervolgde. Op een dag had ik tijdens een van deze dromen de moed om de sprong te wagen. Ik draaide mij om en zag dat niets mij achtervolgde. Sindsdien heb ik deze droom nooit meer gehad.

Geloof heeft mij het geschenk gegeven om vrij te zijn van angst.

Met het afleggen van het harnas van ons ego kan onze natuurlijke en universele aanleg tot empathie vrijkomen. Dit onverklaarbare geloof in een grotere dimensie van mijzelf haalt de muren neer die mij scheiden van de wereld buiten mij. Ik sta dichter bij alles: bij de zon, de maan, de wolken, de rotsen, de rivieren, en bij het lijden en de vreugde van andere wezens. Spontane compassie ontstaat. Geloof heeft mij het geschenk gegeven om vrij te zijn van angst. Geen angst voor intimiteit, geen angst om lief te hebben, geen angst om van gehouden te worden. Mijn hart heeft zich geopend en ik weet dat het zich altijd verder kan openenstellen omdat het menselijk hart van nature het vermogen heeft om kwetsbaar, teder en open te zijn.
De sluier die tussen mij en alles om mij heen hangt, is afgelegd. Ik kan volledig in het hier en nu leven, met alles om mij heen, zonder de verwachting dat ik een bepaald doel hoeft te bereiken en zonder de behoefte om mijzelf als een afzonderlijke en onafhankelijke entiteit te bevestigen. Dat zou alleen maar mijn ervaring van de openheid van het huidige moment in de weg staan. Zulke momenten zijn momenten van genade die mijn geloof de kracht en de steun verlenen waardoor ik zelfs in tijden van twijfel en onwetendheid op de been kan blijven, zelfs wanneer ik terugkeer in een afgesloten ruimte die ik zelf geschapen heb.
Ik vertrouw op het avontuur dat mijn leven is: een voortdurende ontdekkingstocht van mijzelf en van het samenzijn met anderen. Ik vertrouw op mijn vermogen om met mededogen, vriendelijkheid en liefde te reageren op wie en wat ik ook tegenkom, omdat ik heb gezien dat wij niet van elkaar gescheiden zijn, ook al zijn wij allemaal uniek.
Met het afleggen van de sluier heb ik gezien dat wij allemaal met elkaar verbonden zijn in een mate die ons begrip te boven gaat. De onderlinge afhankelijkheid van alle fenomenen wordt binnen het boeddhisme uitgedrukt met het beeld van Indra’s net. Toen Indra de wereld vormgaf, schiep hij deze als een web en stopte in elke knoop een parel. Alles wat bestaat of ooit heeft bestaan, is een parel. En niet alleen is elke parel met elke andere verbonden door het net, ze worden ook allemaal door de andere weerspiegeld. Dit staat symbool voor een universum waarin oneindig veel wederzijdse relaties tussen alle componenten bestaan.
Onze relaties en interacties met de wereld, de natuur en met alle wezens worden al diepgaand gewijzigd wanneer wij slechts een glimp van deze verwevenheid opvangen.

Reisgenoten

Bodhidharma, die in de zesde eeuw het boeddhisme van India naar China zou hebben gebracht en die daarmee een van onze voorouders is in onze afstamming die begon met de Boeddha, drukte deze praktijk als volgt uit: ‘een bijzondere overdracht buiten de geschriften om – Niet afhankelijk van woorden en letters – Die ons rechtstreeks op onze geest wijst – Laat ons onze ware aard zien en aldus het boeddhaschap verwerven.’
Dat is een voortzetting van de aanbeveling van de Boeddha om op onze directe ervaring te vertrouwen zodat wij onze aard van de ontwaakte wezens kunnen verwerkelijken. Na zijn verlichtingservaring zou de Boeddha hebben gezegd: ‘Het uitgestrekte universum, alle voelende wezens en ik zijn gelijktijdig verlicht.’ Deze woorden kunnen weerklank vinden in onze ervaring van onderlinge verbondenheid en in ons vermogen om de grenzen op te trekken waarmee wij onszelf uit onwetendheid hebben omgeven: een onwetendheid die wordt bestendigd door het misbruik van onze dualistische geest.
Wanneer wij meer en meer onze onbegrensde dimensie ervaren, ontdekken wij ons vermogen om onszelf en anderen te respecteren en lief te hebben, om met vriendelijkheid en mededogen met de wereld om te gaan. Wij ontdekken dat onze kwetsbaarheid onze kracht kan zijn. Wij stellen de twijfel op prijs die met geloof verbonden is, als twee zijden van dezelfde medaille.
Op deze vaak moeilijke en pijnlijke zoektocht richting onze ware aard ontmoeten wij mensen die onze reisgenoten op hetzelfde pad zijn. Hun geloof is een aanmoediging en een inspiratie voor ons. Soms kunnen zij de brug vormen waarmee wij een gevaarlijke en griezelige rivier kunnen oversteken. Zij kunnen de vuurtoren zijn die ons tijdens een verwoestende storm koers doet houden richting de kust.
Geregeld ontvang ik van sommigen het geschenk dat zij meer geloof hebben in mij dan ik in mijzelf en daardoor krijg ik de moed om te blijven lopen. Wij gaan deze weg niet alleen. Wanneer ontmoetingen met anderen ons inspiratie, moed en kracht geven, willen wij hetzelfde voor hen betekenen. En die wens zal ons onlosmakelijk met onze weg verbonden raken.
In de zentraditie doen wij dagelijks de gelofte om het onmogelijke tot stand te brengen wanneer wij zingen: ‘Talloos zijn de wezens met gevoel, ik beloof hen te redden – onuitputtelijk zijn de waanbeelden, ik beloof met ze af te rekenen – Grenzeloos is de werkelijkheid, ik beloof haar waar te nemen – Onovertroffen is de weg van de Boeddha, ik beloof met die weg één te zijn.’ Dat is de meest diepgaande uitdrukking van ons geloof.

_______________________________

Deze tekst werd met instemming van de uitgever overgenomen uit het boek: “Geloven”, door Jürgen Mettepenningen, uitg. Lannoo.